Een ronde tovenaar die over het scherm rolt als een flipperbal. Dit is Wizball, en van je eerste contact ermee begrijp je dat een toptitel voor de Commodore 64 een PC-port kreeg die de originele charme probeerde te behouden, maar de computer was daar gewoon niet tegen opgewassen. Jaar 1987, DOS, en je rolt over verschillende kleurrijke platforms zonder enig idee waarom je eigenlijk tot het volgende level wilt doorkomen.

Je bent een magische bal die rondspringt en gekleurde bollen verzamelt die overal in het level verspreid liggen. Elke kleur heeft een verzameling — pak alle rode, alle blauwe, en je ontgrendelt de weg vooruit. Klinkt simpel, maar het spel is pijnlijk saai. De platforms zijn sombertjes, er is geen echte bedreiging, en de omgeving trekt je niet in zich mee. Het voelt als een oefening, niet als entertainment. De bediening is preciezer dan ik zou verwachten, dus je kunt niet klagen over iets anders dan de aard van het spel zelf.
Op de Commodore 64 had het magie — de kleuren, de soundtrack, het gevoel van iets speciaals. Hier, op de PC-monitoren van die tijd, ziet het er uit als een bleek kopie. Zonder enige aantrekkingskracht, zonder iets wat je dwingt om door te gaan. Je speelt er even mee, dan weet je wat je kunt verwachten, en het stuurt je erop uit om iets anders te zoeken.
Betekent dat dat Wizball slecht is? Nee. Het betekent dat het middelmatig is, iets wat geen reden had om te bestaan op een platform waar Ghouls 'n Ghosts en Prince of Persia al leefden. De port deed niets fout, deed alleen niets interessants. Het spel is er, het werkt, maar niemand begon het vijfenvijftig jaar later te spelen in de gedachte dat ze iets speciaals hadden ontdekt.

Vandaag speel je het alleen als je wilt weten hoe het afliep met elk spel dat dat jaar uitkwam en niet Super Mario Bros was. Voor de overgebleven speler is het een curiositeit — leg het weg in een lade met een briefje dat het bestond, en ga iets spelen dat zin had.